Sint-Christoffel en de autowijding

24 juli is de naamdag van Sint-Christoffel. Deze beschermheilige van de reizigers inspireerde enkele mensen in Aalter-Brug in 1957 om vanaf dan jaarlijks een autowijding te organiseren. Concreet betekent het dat voertuigen van alle aard (auto’s maar ook tractoren, vrachtwagens, moto’s, bromfietsen, fietsen) worden voorgereden en er de zegen ontvangen van de pastoor. Met deze handeling worden volgens het volksgeloof de bestuurder en passagiers voor ongelukken behoed. De autowijding kadert in de volkscultuur en is een variant op bijvoorbeeld een paardenwijding (Sint-Elooi) of op de amuletten met de afbeelding van Sint-Christoffel die reizigers in vroegere tijden met zich meedroegen.

De autowijding in Aalter-Brug in juni 2021

Het gebruik bestaat nog altijd en is intussen op weg naar zijn 65ste verjaardag. Om praktische redenen (kermis en vakantieperiode) vond de wijding in Aalter-Brug plaats begin juni, enkele weken voor de officiële feestdag van de beschermer van de reizigers.

Meer hierover valt te lezen in het eind juni 2021 verschenen nummer van Erfgoed Aalter in een bijdrage van de hand van Philippe Verleyen. Een abonnement op Erfgoed Aalter kost 15 euro. Meer info via erfgoed.aalter@gmail.com of deze website.

Over de autowijding verscheen eerder ook het blogbericht https://geschiedenisvanaalter.blogspot.com/2011/06/autowijding-aalter-brug.html.

Op YouTube is een filmpje te vinden van de autowijding van afgelopen maand:

Het “zotte verhaal” van een Vlaams kasteel: hoe de baron het familiefortuin er doorheen joeg met een onmogelijk plan

Afgelopen dinsdag verscheen dit artikel in Het Nieuwsblad (geschreven door Paul de Meyer), na contacten met Erfgoed Aalter en onze medewerker Jan Camerlinckx:

Vlaams minister van Toerisme Zuhal Demir (N-VA) heeft het kasteel van Poeke van de gemeente Aalter gekocht voor 1 symbolische euro, laat het nu restaureren en stelt het straks open voor het publiek. “Mooi”, zegt Jan Camerlinckx, kenner van de geschiedenis van het kasteel. “Zo blijft ook dat zotte verhaal bewaard van kasteelheer Charles de Preud’homme d’Hailly.”

Zijde gemaakt in Poeke, van dat label droomde Charles Florent Idesbald de Preud’homme d’ Hailly, baron van Poeke. Het was 1750 en de man was net klaar met de verbouwing van het kasteel dat al 150 jaar in zijn familie was. Toch bleef Charles’ vrouw liever in Gent wonen dan te verhuizen naar dat boerengat Poeke (vandaag deel van Aalter).

Charles zocht dus iets om zijn kasteel meer grandeur te geven. Maar waarmee? Allicht kreeg hij zijn gouden inval toen hij eens op bezoek mocht bij Karel van Lotharingen, toen landvoogd over onze gewesten, de Zuidelijke Nederlanden. Karel had in zijn kasteeltuin in Tervuren moerbeibomen staan, en vertelde dat hij de bladeren van die boom zou voeden aan zijderupsen, om uit hun cocons zijde te spinnen.

Dat was het! Zijde. Charles zou een zijdefabriekje in zijn kasteel opzetten voor de productie van chique zijden kousen en linten. Dan zou het gauw gedaan zijn met de minachtende blikken van de andere edellieden, die de Preud’hommes eigenlijk maar omhooggevallen boerkes vonden. Nee, Charles zou een zijdemagnaat worden, en meteen toog hij naar de Kouter in Gent, waar Franse handelaars af en toe van die moerbeibomen verkochten.

Foto: MYE

Geen geduld

“Uit de geschriften van boekhouder Pieter Beerens weten we dat Charles al in 1750, dat is zeer kort nadat hij zijn eerste lading moerbeibomen kocht, zijn koetsier Desterbeek betaalde voor het gaedeslaen van de sydewormen’’, zegt Jan Camerlinckx, auteur van het boek Het kasteel van Poeke, Het mooiste landgoed van Vlaanderen. “Dat was veel te snel. Want pas na tien jaar zijn moerbeibladeren geschikt als voeding voor de zijdewormen. Zo lang had onze kasteelheer moeten wachten eer hij sydewormen kocht. Maar hij was te ongeduldig.”

Charles de Preud’homme besefte algauw dat hij de kennis moest gaan halen waar ze zat: in het zuiden van Frankrijk, waar de zijdeproductie toen wel al floreerde. Boekhouder Beerens schreef een brief naar zijdefabrikant Martin Pocachard uit Tours, waarin hij een zeer verbloemde voorstelling schetste van de kweek van zijderupsen en moerbeibomen in Poeke. Zou het Pocachard niets zeggen om naar Poeke te komen?

Pocachard kwam, en bracht zoals gevraagd eitjes mee van zijderupsen en professionele apparatuur om de draden van de cocons af te winden. “In Poeke was men helemaal klaar voor de start van de eerste Vlaamse zijdeproductie. De verwachting was dat Pocachard twee, misschien drie jaar zou blijven en dat er constant nieuwe moerbeibomen zouden worden aangeplant. De gronden daarvoor waren alvast vrijgemaakt. Er was ook houtskool aangekocht om de zalen waar de zijderupsen zouden verpoppen op temperatuur te houden”, zegt Camerlinckx.

Zo zag het kasteel van Poeke er uit toen Charles de Preud’homme d’Hailly er woonde

Gouden handdruk

Maar de euforie doofde snel. Eerst hield de Fransman de schijn nog wel hoog door zeer veel plukkers van moerbeibladeren aan te trekken. Maar helaas kwamen uit zijn eitjes te weinig rupsen. En weinig rupsen betekent weinig cocons, dus weinig zijde. Al na een paar maanden dook in de rekeningen van de boekhouder een soort gouden handdruk voor Martin Pocachard op. En weg was hij.

“Maar de kasteelheer gaf niet op”, zegt Jan Camerlinckx. “Hij zocht mensen in de buurt van het kasteel die thuis eitjes tot rupsen moesten opkweken met bladeren van de hen toegewezen bomen. Ook dat mislukte. Ons klimaat is simpelweg te koud voor zowel de rupsen als de bomen.”

Ondertussen had Charles zijn interesse in de zijde al verloren en was hij op vrijerspad in Parijs, waar hij het familiefortuin verder verbraste. Zijn vrouw vroeg de scheiding aan, zijn nakomelingen moesten uiteindelijk het kasteel verkopen.

En nu, 250 jaar later, komt het kasteel dus in Vlaamse handen, voor 1 symbolische euro. “Het domein moet een van de parels worden van het toekomstige Vlaams netwerk kastelen en tuinen”, zegt minister Zuhal Demir. “We willen het verhaal achter de kastelen overdragen aan onze kinderen en kleinkinderen, en een toeristisch kasteelbezoek in Vlaanderen even vanzelfsprekend maken als dat nu bij een bezoek aan Frankrijk is.” Desnoods zonder zijderupsen.

Het artikel is terug te vinden via deze link (enkel voor betalende abonnees): https://www.nieuwsblad.be/cnt/dmf20210712_97037810

De bargie op bezoek in Aalter

In het weekend van 3 en 4 juli 2021 meerde de replica van de Gentse bargie twee dagen aan in Aalter. Het bezoek maakt deel uit van de lancering van het project Verhaal van het Kanaal. Twee studenten publieksgeschiedenis van de Universiteit Gent werkten de voorbije maanden een project uit rond de geschiedenis van het kanaal Gent-Brugge, het leven in de omgeving van de kanaal en de verhalen en tradities die er mee verband houden. Zij brachten deze informatie bijeen in de ErfgoedApp. In samenwerking met het gemeentebestuur zijn wandel- en fietsroutes uitgewerkt in de omgeving van het kanaal. Dankzij informatieborden en QR-codes kan met de smartphone de informatie worden opgehaald. Meer informatie en routes zijn te vinden via een informatiepagina op de website van de gemeente Aalter (www.aalter.be/kanaal).

Foto: De replica van de Gentse barge in de schaduw van het gebouw Boerenbond (Aveve) tijdens het bezoek aan Aalter (juli 2021)

Erfgoed Aalter ondersteunde dit project met het aanreiken van informatie en beeldmateriaal. Erik Wille leende zijn stem en zijn dialectkennis om de rol van de kapitein in te spreken in de ErfgoedApp. Enkele bestuursleden waren ook aanwezig toen de trekschuit feestelijk werd onthaald aan de kade in de Zuidleiestraat. In 2019 verscheen in het tijdschrift Erfgoed Aalter overigens een verhaal waarin een reis van Bellem naar Gent met de barge is beschreven. Een fragment hieruit is terug te vinden op de blog van Peter Laroy (https://geschiedenisvanaalter.blogspot.com/2021/07/naar-gent-met-de-bargie.html). Ook de regionale televisiezender AVS bracht de komst van de barge in beeld. De reportage is te herbekijken via https://www.avs.be/artikels/het-verhaal-van-het-kanaal-a81263.